Carolus Clusius
In Leiden staan de Clusiustuin en het Clusius laboratorium, genoemd naar de hoogleraar plantkunde Clusius. In 1609 overleed de man in Leiden, precies 400 jaar geleden. Rondom het thema Clusius en zijn exotische wereld maakte de Universiteitsbibliotheek een tentoonstelling die tot juni van dit jaar te bezichtigen was. Wie was Clusius en wat heeft hij voor Leiden betekend?
Carolus Clusius leefde in de 16e eeuw. Hij werd geboren in 1526 in Atrecht, Frankrijk. Zijn naam is oorspronkelijk Charles de l’Ecluse, welke hij veranderde naar het Latijnse Carolus Clusius, wat veel gebeurde in die tijd. De man was erg leergierig: hij studeerde rechten en klassieke talen in Leuven en daarna medicijnen in Montpellier. Daarnaast volgde hij ook colleges over verschillende onderwerpen aan universiteiten van grote Europese steden.
In 1561 startte Clusius als leermeester van adellijke en welgestelde jongeren. Met zijn leerlingen reisde hij door heel Europa heen; Engeland, Frankrijk, Portugal en Spanje. Tijdens deze reizen verzamelden en bestudeerden ze planten. Hierna, in 1573 kreeg hij van de Oostenrijkse Keizer Maximiliaan II de opdracht een medicinale kruidentuin in te richten.
Zijn tijd in Wenen gebruikte hij ook voor het verzamelen van zeldzame en exotische planten, waaronder Alpenplanten en bolgewassen uit Turkije. Onder die laatste categorie vallen de tulp, hyacint, keizerskroon, narcis, ranonkel en anemoon welke hij van gezanten van de Keizer aan het Hof van de Sultan in Istanbul kreeg.
Met zijn botanische achtergrond was het vrij logisch dat hij in 1592 de functie van directeur van de Leidse Hortus Botanicus kreeg aangeboden. De botanische tuin was in 1590 gesticht, achter het academiegebouw aan het Rapenburg, maar moest nog worden ingericht. Clusius had inmiddels een grote plantenverzameling en was daarom de aangewezen persoon om de tuin in te richten.

De Delftse apotheker Dirk Ougaertszoon Cluyt (Clutius) werd ook gevraagd om te helpen met de tuin, vanwege zijn brede verzameling medicinale planten. Samen begonnen ze met het inrichten van de tuin. Clusius en Clutius waren in 1594 klaar met de eerste aanleg. Ze maakten een manuscript, de index stirpium, waarin de plattegrond en een lijst met de planten die toen in de tuin groeiden.
Voorheen beschreven plantkundigen de planten vooral aan de hand van hun nuttige, geneeskrachtige of schadelijke eigenschappen. Clusius introduceerde een nieuwe manier van planten bestuderen. Hij vond de geneeskrachtige werking van de planten minder interessant en keek naar de planten om zichzelf. Daarnaast beschreef hij de planten van in een bepaald gebied: hij bedacht de ‘flora’.
Elke plant moest een aparte naam krijgen die uit twee delen bestond. Soms werd ook nog de naam genoemd van de persoon die de plant eerder had aangeduid. Clusius beschreef alles van de plant: de takken, zaden, bladeren, bloemen en vruchten. Verder gaf hij ook informatie over de kleur, geur, smaak en omstandigheden waaronder de plant groeide.
Zijn bevindingen deelde hij met andere onderzoekers door heel Europa heen. Hij schreef brieven en voegde er mooie gedetailleerde tekeningen aan toe. In totaal heeft hij zelf ongeveer 300 brieven geschreven en ontving hij er nog meer: zo’n 1300. De Universiteitsbibliotheek heeft het grootste deel van deze brieven in haar bezit. Medewerkers zijn sinds dit jaar bezig met het digitaal toegankelijk maken van de verzameling brieven. Op die manier kunnen ze als studiemateriaal worden gebruikt.

Afbeelding van de narcis, bijlage van een brief aan Matteo Caccini in Florence. De brief van 10 oktober 1608 is in het bezit van de Universiteitsbibliotheek Leiden.
Clusius stief in 1609 en werd begraven in de Vrouwekerk. De overblijfselen van deze kerk kregen de status rijksmonument en staan tegenover Museum Boerhaave aan de Lange Sint Agnietenstraat.
Door: Jennifer Verkleij
Sleutelwoorden: brieven, Carolus Clusius, narcis, planten, plantkundige, Tuin, tulp, universiteit Leiden

